ECLI:NL:RVS:2024:724
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing toevoeging rechtsbijstand bij executiegeschil vennootschap onder firma
Appellant heeft een toevoeging voor rechtsbijstand aangevraagd voor een procedure bij de civiele rechter waarin hij het recht van zijn voormalig medevennoot betwist om een arbitraal vonnis te executeren. De raad voor rechtsbijstand wees de aanvraag af op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand, omdat het rechtsbelang verband houdt met de uitoefening van een zelfstandig bedrijf en appellant niet onder de uitzondering valt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze afdeling heeft het onderzoek gesloten zonder zitting en oordeelde dat de gronden van appellant onvoldoende waren om het oordeel van de rechtbank te wijzigen.
De Afdeling bevestigt dat het executiegeschil voortvloeit uit de uitoefening van een zelfstandig bedrijf en dat de uitzondering in artikel 12, tweede lid, onder e, sub 2°, niet van toepassing is omdat appellant niet als verweerder in eerste aanleg betrokken was. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de afwijzing van de toevoeging voor rechtsbijstand wordt ongegrond verklaard.