ECLI:NL:RVS:2024:875

Raad van State

Datum uitspraak
1 maart 2024
Publicatiedatum
1 maart 2024
Zaaknummer
202207362/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vw 2000Art. 8:54 AwbArt. 91 lid 2 Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank over afwijzing aanvraag rechtmatig verblijf gemeenschapsonderdaan

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 12 maart 2021 de aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan af. Tegen deze afwijzing maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 12 november 2021 ongegrond werd verklaard. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 25 november 2022 het besluit vernietigde wegens een motiverings- of zorgvuldigheidsgebrek en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Deze oordeelde dat het hoger beroep niet leidt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, omdat het hogerberoepschrift geen relevante vragen bevat voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Het motiveringsgebrek kan eenvoudig worden hersteld.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van € 875,00 aan de vreemdeling. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer op 1 maart 2024.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris ongegrond.

Uitspraak

202207362/1/V2.
Datum uitspraak: 1 maart 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 25 november 2022 in zaak nr. 21/6776 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 12 maart 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 12 november 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 november 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. El Kadi, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    De rechtbank heeft namelijk een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek geconstateerd. De staatssecretaris komt daartegen in hoger beroep op terwijl dat gebrek zich (los van de vraag wat de uitkomst van de nieuwe besluitvorming moet zijn) eenvoudig laat herstellen.
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 875,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Laar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2024
979