ECLI:NL:RVS:2025:1057
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State tot behandeling hoger beroep tegen voortduren bewaring vreemdeling
Bij besluit van 19 oktober 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie de vreemdeling in bewaring gesteld. De vreemdeling heeft tegen het voortduren van deze bewaring beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 27 januari 2025 ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze afdeling overwoog dat het hoger beroep tegen het voortduren van de bewaring op grond van artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 niet openstaat, tenzij sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces.
De Afdeling constateerde dat in deze zaak geen sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces en verklaarde zich daarom onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Tevens werd geoordeeld dat de staatssecretaris niet gehouden is proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen het voortduren van de bewaring van de vreemdeling.