ECLI:NL:RVS:2025:108
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking parkeervergunning wegens adreswijziging met instandhouding rechtsgevolgen
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam trok op 1 juli 2021 de parkeervergunningen van appellant A en appellant B voor parkeersector 75 in, omdat zij niet meer waren ingeschreven op het adres waarop de vergunning was toegekend. Beide appellanten woonden inmiddels in parkeersector 71. De rechtbank verklaarde de beroepen van beide appellanten ongegrond. Appellanten stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Appellant A voerde aan dat de stadsbrede gehandicaptenparkeervergunning tijdelijk en duurder is dan een reguliere vergunning, maar dit werd door de Afdeling verworpen. De Afdeling oordeelde dat de intrekking niet tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt en verklaarde het hoger beroep van appellant A ongegrond.
Appellant B stelde dat zij vanwege haar zorgtaken voor appellant A een parkeervergunning in sector 75 nodig had. De Afdeling constateerde een motiveringsgebrek in het besluit van het college en vernietigde het besluit van 2 december 2021. Na nadere stukken en belangenafweging handhaafde de Afdeling de intrekking van de vergunning van appellant B, waarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand bleven. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant B.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant A wordt ongegrond verklaard, het hoger beroep van appellant B gegrond verklaard met vernietiging van het besluit, maar rechtsgevolgen blijven in stand.