Appellant heeft op 23 februari 2022 een aanvraag ingediend bij de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) voor een uitkering uit het schadefonds, naar aanleiding van een incident op 31 december 2021 waarbij haar ex-partner een schotwond opliep. De CSG wees de aanvraag af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat zij getuige was van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf zoals bedoeld in artikel 3 vanPro de Wet schadefonds geweldsmisdrijven.
De rechtbank bevestigde deze afwijzing en oordeelde dat de verklaringen van appellant over het incident wisselend en tegenstrijdig waren, en dat ook verklaringen van andere betrokkenen niet overeenkwamen. Daarnaast was er geen objectieve informatie die de opgave van appellant ondersteunde. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat dit slechts een algemene verwijzing betrof.
In hoger beroep heeft appellant dezelfde gronden aangevoerd, maar zonder nieuwe argumenten of bewijs. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vond de gemotiveerde beoordeling van de rechtbank juist en bevestigde de uitspraak. De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de uitkering uit het schadefonds wordt bevestigd.
Uitspraak
202404073/1/A2.
Datum uitspraak: 19 maart 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Schiedam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 april 2024 in zaak nr. 23/4368 in het geding tussen:
[appellant]
en
Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: de CSG).
Procesverloop
Bij besluit van 12 juli 2022 heeft de CSG een aanvraag van [appellant] om een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: het schadefonds) afgewezen.
Bij besluit van 13 februari 2023 heeft de CSG het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 april 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. De CSG kent uit het schadefonds onder meer uitkeringen toe aan een ieder die door een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft opgelopen.
2. Op 23 februari 2022 heeft [appellant] bij de CSG een aanvraag om een uitkering uit het schadefonds ingediend. Zij heeft aan de aanvraag onder meer ten grondslag gelegd dat zij, op 31 december 2021, getuige is geweest van de directe gevolgen van een schietpartij, waarbij haar ex-partner een schotwond in zijn linkerarm heeft opgelopen.
3. Volgens de CSG heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat zij getuige is geweest van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf als bedoeld in artikel 3 vanPro de Wet schadefonds geweldsmisdrijven. Weliswaar heeft zich een incident voorgedaan, maar onvoldoende duidelijk is wat er precies is gebeurd, wat de aanleiding hiervoor was en wat de omstandigheden waren waaronder het incident heeft plaatsvonden. [appellant] heeft wisselende verklaringen afgelegd over wat er zou zijn gebeurd en er is geen objectieve informatie beschikbaar die haar opgave ondersteunt.
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de CSG zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van [appellant] over het incident wisselend en tegenstrijdig zijn en dat verklaringen van andere betrokkenen niet alleen onderling niet overeenkomen, maar ook niet met de verklaringen van [appellant], zodat de CSG niet van haar verklaringen kon uitgaan. Uit de informatie van de Raad voor de Kinderbescherming, die een andere beoordeling maakt dan de CSG, volgt evenmin dat [appellant] getuige is geweest van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel, dat slechts bestaat uit een algemene verwijzing, slaagt volgens de rechtbank niet.
5. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 5 tot en met 8 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
7. De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.