ECLI:NL:RVS:2025:1152
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing uitkering schadefonds geweldsmisdrijven wegens onvoldoende bewijs getuige geweldsmisdrijf
De Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) wees een aanvraag af voor een uitkering uit het schadefonds, omdat onvoldoende objectieve aanwijzingen bestonden dat de minderjarige zoon van appellante getuige was van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Appellante had namens haar zoon een aanvraag ingediend na een schietincident waarbij de vader gewond raakte.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de enkele verklaring van de zoon tegenover het crisisteam onvoldoende was en dat de verklaringen van betrokkenen onderling niet overeenkwamen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen wegens gebrek aan concrete onderbouwing.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vond geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. Ook een aanvullend rapport van de Raad voor de Kinderbescherming bracht geen nieuwe feiten die het oordeel konden beïnvloeden.
Het hoger beroep werd derhalve ongegrond verklaard en de afwijzing van de uitkering bevestigd. De CSG werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de uitkering uit het schadefonds bevestigd.