ECLI:NL:RVS:2025:1153
Raad van State
- Hoger beroep
- A.B. Blomberg
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende huisvestingsprobleem en geen medische noodsituatie
Appellante vroeg op 15 april 2023 een urgentieverklaring aan vanwege verergerde gezondheidsklachten en onveiligheidsgevoelens in haar woning. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees de aanvraag op 16 juni 2023 af, met als redenen dat er geen urgent huisvestingsprobleem was, zij het probleem redelijkerwijs had kunnen voorkomen, verhuizing naar een andere zelfstandige woonruimte het probleem niet voldoende oplost en appellante niet aantoonbaar had gereageerd op het beschikbare woningaanbod.
De rechtbank bevestigde deze afwijzing op 11 maart 2024 en oordeelde dat het college terecht geen hardheidsclausule toepaste, omdat appellante geen voldoende bewijs leverde dat haar klachten in belangrijke mate door de woonsituatie werden veroorzaakt. In hoger beroep stelde appellante dat het reageren op het woningaanbod weinig zinvol was vanwege haar korte inschrijvingsduur en dat het college haar had toegezegd dat de reactieverplichting niet voor haar gold.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat appellante wel verantwoordelijk is om op passend woningaanbod te reageren en dat het college haar niet had toegezegd dat deze verplichting niet voor haar gold. Ook werd bevestigd dat er geen medische noodsituatie was die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt, mede omdat de ingediende medische stukken geen verband aantonen tussen haar angst- en dwangklachten en de woning. De Afdeling bevestigde het vonnis van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.