ECLI:NL:RVS:2025:118
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke handhaving last onder dwangsom wegens exploiteren terras zonder vergunning
De zaak betreft een hoger beroep van een eigenaar van een horecagelegenheid die zonder vergunning een terras exploiteerde. De burgemeester had hem een last onder dwangsom opgelegd van €15.000,- wegens overtreding van artikel 2:28 van Pro de Algemene plaatselijke verordening (Apv) Schouwen-Duiveland 2015. De rechtbank had geoordeeld dat de burgemeester bevoegd was en dat de dwangsom niet onevenredig was.
De appellant voerde aan dat er sprake was van concreet zicht op legalisatie, omdat in 2023 een vergunning was verleend aan een andere horecagelegenheid op een andere locatie. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde echter vast dat deze vergunning geen betrekking had op de locatie van appellant en dat voorafgaand aan de handhaving al duidelijk was dat de burgemeester niet zou meewerken aan een terrasvergunning vanwege verkeerstechnische bezwaren.
Ook het betoog dat de dwangsom disproportioneel hoog zou zijn, werd verworpen. De Afdeling benadrukte dat de dwangsom een prikkel moet zijn om naleving af te dwingen en dat de burgemeester beleidsruimte heeft bij het bepalen van de hoogte. De overtreding was niet beëindigd ondanks eerdere dwangsommen.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.