AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht vreemdeling in Dublinprocedure
De vreemdeling had bezwaar gemaakt tegen de feitelijke overdracht in het kader van zijn asielaanvraag en verzocht om een voorlopige voorziening om deze overdracht te voorkomen totdat op zijn bezwaar was beslist.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het verzoek beoordeeld en vastgesteld dat de argumenten van de vreemdeling reeds in eerdere procedures waren betrokken en geen nieuwe gronden boden om de rechtmatigheid van de voorgenomen overdracht te betwijfelen.
Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tevens werd bepaald dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak bevestigt de eerdere beslissingen van de rechtbank en de voorzieningenrechter in deze zaak.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de overdracht van de vreemdeling wordt afgewezen.
Uitspraak
202500957/3/V3.
Datum uitspraak: 17 maart 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, van:
[de vreemdeling],
verzoeker.
Procesverloop
Bij besluit van 29 november 2024 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 10 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.
Bij uitspraak van 13 maart 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het verzoek van de vreemdeling om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.G.A.M. Halfers, advocaat in Rotterdam, heeft op 16 maart 2025 op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bezwaar gemaakt tegen de feitelijke overdracht en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De griffier van de rechtbank heeft het verzoek ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de Afdeling doorgezonden.
Overwegingen
1. De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet zal worden overgedragen totdat op het bezwaarschrift is beslist.
2. Wat de vreemdeling in zijn verzoek heeft aangevoerd, komt overeen met wat hij eerder in de Dublinprocedure naar voren heeft gebracht en door de voorzieningenrechter van de Afdeling is betrokken bij zijn uitspraak van 13 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1072. Het biedt geen grond om niet langer van de rechtmatigheid van de voorgenomen overdracht uit te gaan. Daarom wordt het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.
3. Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.