ECLI:NL:RVS:2025:1217
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Afwijzing hoger beroep tegen weigering machtiging tot voorlopig verblijf vreemdeling
Bij besluit van 29 april 2021 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar op 24 juli 2023 ongegrond. De rechtbank Den Haag vernietigde dit besluit op 28 november 2023 en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen.
De vreemdeling en referent stelden hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De staatssecretaris handhaafde het besluit in een nieuw besluit van 22 februari 2024, dat eveneens het bezwaar ongegrond verklaarde.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het hoger beroep ongegrond is omdat de rechtbank terecht heeft geoordeeld en dat het hogerberoepschrift geen nieuwe vragen bevat die beantwoording behoeven. Tevens verklaart de Afdeling het beroep tegen het besluit van 22 februari 2024 ongegrond, omdat geen nieuwe beroepsgronden zijn aangevoerd.
De Afdeling bevestigt daarmee de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf en wijst het hoger beroep en het daarop volgende beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep en het beroep tegen het bezwaarbesluit zijn ongegrond verklaard en de weigering van de machtiging tot voorlopig verblijf blijft gehandhaafd.