ECLI:NL:RVS:2025:1258

Raad van State

Datum uitspraak
26 maart 2025
Publicatiedatum
26 maart 2025
Zaaknummer
202500913/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 10 Opvangrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen onrechtmatige grensdetentie en schadevergoeding afgewezen

De minister van Asiel en Migratie legde op 20 januari 2025 een vrijheidsontnemende maatregel op aan de vreemdeling. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling op 14 februari 2025 gegrond, oordeelde dat het Justitieel Complex Schiphol geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie was en beval de opheffing van de maatregel met schadevergoeding.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het oordeel van de rechtbank onjuist was en dat het Justitieel Complex Schiphol wel als gespecialiseerde bewaringsaccommodatie geldt volgens artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn.

De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer op 26 maart 2025.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de grensdetentie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

202500913/1/V3.
Datum uitspraak: 26 maart 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 februari 2025 in zaak nr. NL25.3224 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 20 januari 2025 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 14 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.H.K. van Middelkoop, advocaat in Haarlem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       De minister komt in zijn enige grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het Justitieel Complex Schiphol onder de omstandigheden ten tijde van haar uitspraak geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie meer is in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie daarom onrechtmatig is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789.
1.1.    De grief slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 februari 2025 in zaak nr. NL25.3224;
III.      verklaart het beroep ongegrond;
IV.     wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2025
918