ECLI:NL:RVS:2025:1353

Raad van State

Datum uitspraak
28 maart 2025
Publicatiedatum
28 maart 2025
Zaaknummer
202407145/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Richtlijn 2001/55/EGArt. 3.9a VV 2000Art. 3.1a Vb 2000Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing tijdelijke bescherming vreemdeling op grond van Richtlijn Tijdelijke Bescherming

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 29 februari 2024 vastgesteld dat de vreemdeling geen recht heeft op tijdelijke bescherming op grond van Richtlijn 2001/55/EG. De vreemdeling had Oekraïne niet moeten verlaten vanwege de militaire invasie, maar was reeds eerder vrijwillig naar een andere lidstaat vertrokken.

De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 11 april 2024 ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd het beroep bij de rechtbank Den Haag eveneens ongegrond verklaard op 31 oktober 2024. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling niet behoort tot de groep ontheemden zoals bedoeld in de richtlijn en dat het vertrek vóór de peildatum van 26 november 2021 plaatsvond. Het hoger beroep bevatte geen vragen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling, zodat het beroep ongegrond werd verklaard en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van tijdelijke bescherming omdat de vreemdeling Oekraïne vóór de peildatum vrijwillig verliet en niet tot de beschermde groep behoort.

Uitspraak

202407145/1/V2.
Datum uitspraak: 28 maart 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 31 oktober 2024 in zaak nr. NL24.18286 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 29 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming als bedoeld in Richtlijn 2001/55/EG (de Richtlijn Tijdelijke Bescherming).
Bij besluit van 11 april 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 31 oktober 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.C. Pool, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht geoordeeld dat de minister terecht heeft vastgesteld dat de vreemdeling geen ontheemde is in de zin van artikel 2, onder c, van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. De vreemdeling heeft Oekraïne namelijk niet moeten verlaten door de militaire invasie, maar heeft zich daaraan voorafgaand vrijwillig in een andere Europese lidstaat gevestigd. De vreemdeling behoort evenmin tot de aangewezen groep vreemdelingen die wordt gelijkgesteld met personen die als gevolg van de invasie ontheemd zijn. De vreemdeling heeft Oekraïne namelijk verlaten vóór de peildatum van 26 november 2021 bedoeld in artikel 3.9a, eerste lid, aanhef en onder a, van het VV 2000, in samenhang met artikel 3.1a, eerste lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000. De vreemdeling komt daarom niet in aanmerking voor tijdelijke bescherming.
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.
w.g. De Moor-Van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Lagaaij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2025
936-1108