ECLI:NL:RVS:2025:1353
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing tijdelijke bescherming vreemdeling op grond van Richtlijn Tijdelijke Bescherming
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 29 februari 2024 vastgesteld dat de vreemdeling geen recht heeft op tijdelijke bescherming op grond van Richtlijn 2001/55/EG. De vreemdeling had Oekraïne niet moeten verlaten vanwege de militaire invasie, maar was reeds eerder vrijwillig naar een andere lidstaat vertrokken.
De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 11 april 2024 ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd het beroep bij de rechtbank Den Haag eveneens ongegrond verklaard op 31 oktober 2024. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling niet behoort tot de groep ontheemden zoals bedoeld in de richtlijn en dat het vertrek vóór de peildatum van 26 november 2021 plaatsvond. Het hoger beroep bevatte geen vragen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling, zodat het beroep ongegrond werd verklaard en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van tijdelijke bescherming omdat de vreemdeling Oekraïne vóór de peildatum vrijwillig verliet en niet tot de beschermde groep behoort.