ECLI:NL:RVS:2025:1377
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen vernietiging ongewenstverklaring vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had bij besluit van 15 september 2021 vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan meer had en haar ongewenst verklaard. Na een bezwaarprocedure werd dit besluit op 20 december 2022 opnieuw bevestigd. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 15 januari 2025 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moet nemen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om de uitvoering van de rechtbankuitspraak op te schorten totdat het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang is om de voorlopige voorziening te treffen, mede omdat de minister binnen negentien weken een nieuw besluit moet nemen.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, bestaande uit kosten van rechtsbijstand door een derde.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.