ECLI:NL:RVS:2025:1403

Raad van State

Datum uitspraak
26 maart 2025
Publicatiedatum
2 april 2025
Zaaknummer
202303487/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Parkeerverordening 2013Art. 8:67 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bedrijfsparkeervergunning wegens niet-naleving parkeerverordening Amsterdam

Het hoger beroep betreft de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 april 2023, waarin het beroep van appellant tegen het besluit van 2 maart 2022 ongegrond werd verklaard. Dit besluit handhaafde het besluit van 2 december 2021 tot intrekking van de bedrijfsparkeervergunning.

Appellant woont op een adres in stadsdeel Nieuw-West 2b te Amsterdam, waar volgens de Parkeerverordening 2013 geen bedrijfsparkeervergunningen mogen worden verstrekt. Het college heeft de vergunning ingetrokken omdat appellant niet voldoet aan deze voorwaarden.

De rechtbank oordeelde dat het college de vergunning destijds foutief had verleend en niet op grond van de hardheidsclausule. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt dit oordeel en stelt dat het college de fout mag herstellen. Hoewel appellant nadeel ondervindt, is dit niet voldoende om het besluit als onevenwichtig te beschouwen.

Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bedrijfsparkeervergunning wordt bevestigd.

Uitspraak

202303487/1/A3.
Datum uitspraak: 26 maart 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Amsterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 april 2023 in zaak nr. 22/1919 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Openbare zitting gehouden op 26 maart 2025 om 11:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: mr. Y. Soffner
Jurist: mr. C.E.J. van der Linden
Verschenen:
[appellant], bijgestaan door mr. B.A. Zevenbergen;
het college, vertegenwoordigd door mr. de Vries.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 19 april 2023 van de rechtbank waarbij de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van 2 maart 2022 ongegrond heeft verklaard. In dat besluit heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 december 2021, waarbij de bedrijfsparkeervergunning is ingetrokken, ongegrond verklaard.
Beslissing:
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Motivering:
1.       [appellant] woont op het adres [locatie] te Amsterdam. Dit adres is gelegen in stadsdeel Nieuw-West 2b. Daar geldt een maximum van nul (bedrijfs-)parkeervergunningen per adres. Het college heeft de parkeervergunning ingetrokken omdat de Parkeerverordening 2013 (hierna: Parkeerverordening) voorschrijft dat er in dit gebied geen parkeervergunningen mogen worden verstrekt.
2.       De rechtbank heeft overwogen dat het aannemelijk is dat het college destijds foutief de parkeervergunning heeft verleend en niet, zoals [appellant] betoogt, op grond van de hardheidsclausule.
3.       De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college de parkeervergunning mocht intrekken, omdat [appellant] niet aan de voorwaarden van de Parkeerverordening voldoet. Het is aannemelijk dat het college destijds foutief de vergunning heeft toegekend. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan te nemen dat het college destijds de hardheidsclausule heeft toegepast omdat dat alleen gebeurt in zeer schrijnende gevallen. Zo’n geval doet zich hier niet voor. Het college mag een gemaakte fout herstellen. Hoewel de Afdeling begrijpt dat [appellant] nadelen ondervindt van de intrekking van de parkeervergunning, is dat niet voldoende om het besluit onevenwichtig te achten. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.
4.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Soffner
griffier
818-1146