ECLI:NL:RVS:2025:1487
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf voor verblijf bij minderjarige zoon
Bij besluit van 7 maart 2022 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van betrokkene om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. Het bezwaar van betrokkene tegen deze afwijzing werd op 1 december 2022 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, waarbij zij oordeelde dat de Gezinsherenigingsrichtlijn rechtstreeks en onvoorwaardelijk van toepassing was op de mvv-aanvraag voor verblijf bij haar minderjarige Nederlandse zoon.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing is op een mvv-aanvraag voor verblijf bij een Nederlandse minderjarige, zoals reeds bevestigd in een eerdere uitspraak van 11 februari 2025. Hierdoor hoefde de minister ook geen individuele beoordeling te maken op grond van artikel 17 van Pro deze richtlijn.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond en bepaalde dat de minister een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen, met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling en de rechtbank, voor zover deze niet zijn aangevochten. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het oordeel van de rechtbank dat de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing is, wordt vernietigd.