ECLI:NL:RVS:2025:1496

Raad van State

Datum uitspraak
7 april 2025
Publicatiedatum
3 april 2025
Zaaknummer
BRS.25.000029
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 10, eerste lid, Opvangrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep minister tegen uitspraak rechtbank over grensdetentie en gespecialiseerde bewaringsaccommodatie

Bij besluit van 23 december 2024 legde de minister van Asiel en Migratie aan betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel op. Betrokkene stelde beroep in tegen de tenuitvoerlegging van deze maatregel. De rechtbank Den Haag oordeelde op 9 januari 2025 dat het Justitieel Complex Schiphol gedurende een deel van de grensdetentie geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie was in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn, waardoor de tenuitvoerlegging onrechtmatig was. De rechtbank verklaarde het beroep voor dat deel gegrond en voor het overige ongegrond en beval schadeloosstelling.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat het oordeel van de rechtbank onjuist was en verwees naar eerdere uitspraken waarin het Justitieel Complex Schiphol wel als gespecialiseerde bewaringsaccommodatie werd aangemerkt. De grief van de minister slaagde en het hoger beroep werd gegrond verklaard.

De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van betrokkene alsnog ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 7 april 2025.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.

Uitspraak

BRS.25.000029
Datum uitspraak: 7 april 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 januari 2025 in zaak nr. NL24.51413 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 23 december 2024 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 9 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep, voor zover gericht tegen de tenuitvoerlegging van de maatregel tot en met 2 januari 2025, gegrond verklaard en voor het overige ongegrond, en de minister opgedragen betrokkene schadeloos te stellen.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. S. Jankie, advocaat in Hoofddorp heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.  De minister komt in haar enige grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het Justitieel Complex Schiphol gedurende een deel van de grensdetentie van de vreemdeling geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie was in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie daarom onrechtmatig was. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789.
1.1.  De grief slaagt.
2.  Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.  verklaart het hoger beroep gegrond;
II.  vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 januari 2025 in zaak nr. NL24.51413;
III.  verklaart het beroep ongegrond;
IV.  wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2025
918