ECLI:NL:RVS:2025:1521

Raad van State

Datum uitspraak
7 april 2025
Publicatiedatum
7 april 2025
Zaaknummer
202501617/1/V2 en 202501617/2/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 91 Vw 2000Art. 92 Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel in hoger beroep en voorlopige voorziening

Appellanten hebben bij besluiten van 10 december 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen. Hiertegen hebben zij beroep ingesteld bij de rechtbank, die op 11 maart 2025 de beroepen ongegrond verklaarde.

Appellanten hebben vervolgens hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft het hoger beroep en het verzoek beoordeeld en geoordeeld dat het hoger beroep niet leidt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De motivering van de rechtbank wordt overgenomen, aangezien het hogerberoepschrift geen nieuwe relevante rechtsvragen bevat.

De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt daarmee het oordeel van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. De minister is niet gehouden tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter C.M. Wissels in aanwezigheid van griffier J.W. Prins op 7 april 2025.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitspraak

202501617/1/V2 en 202501617/2/V2.
Datum uitspraak: 7 april 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van Pro de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 11 maart 2025 in zaken nrs. NL24.49862 en NL24.49857 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 10 december 2024 heeft de minister aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 11 maart 2025 heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. R.S. Frickus, advocaat in Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De voorzieningenrechter van de Afdeling neemt de motivering onder 6.1 en 7.1 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Wissels
voorzieningenrechter
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2025
1024