ECLI:NL:RVS:2025:1546
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenzaak
Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 25 november 2022 is afgewezen. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd het besluit vernietigd en de zaak terugverwezen voor een nieuw besluit. De minister stelde hoger beroep in en verklaarde het bezwaar opnieuw ongegrond op 11 december 2024. Verzoeker vroeg daarop een voorlopige voorziening om niet uitgezet te worden voordat het hoger beroep is beslist.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat er geen spoedeisend belang bestond voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarom werd het verzoek afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
De uitspraak bevestigt dat zonder spoedeisend belang geen voorlopige voorziening wordt toegekend, ook niet in vreemdelingenzaken waarin het belang van verblijf op het grondgebied aan de orde is. De procedure toont de gebruikelijke stappen in vreemdelingenrechtelijke procedures met bezwaar, beroep en hoger beroep.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen uitzetting wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.