202501663/1/V2.
Datum uitspraak: 10 april 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant A], [appellant B] en [appellant C],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 maart 2025 in zaken nrs. NL25.6646, NL25.6647, NL25.6648 en NL25.6649 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 11 februari 2025 heeft de minister aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 18 maart 2025 heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. E.P.A. Zwart, advocaat in Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellanten klagen in de tweede grief dat de rechtbank ten onrechte het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb heeft gepasseerd zonder daarbij de minister te veroordelen in de door hen gemaakte proceskosten.
1.1. De rechtbank heeft overwogen dat er een gebrek kleeft aan het besluit, voor zover de minister een verkeerd criterium heeft genoemd in haar besluit. De rechtbank heeft aanleiding gezien om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, maar heeft daarbij afgezien van een proceskostenveroordeling. Omdat de rechtbank een gebrek heeft geconstateerd, had de rechtbank de minister moeten veroordelen tot vergoeding van de bij appellanten in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten.
1.2. De tweede grief slaagt. Omdat appellanten in de vierde grief ook klagen dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om de minister te veroordelen in de proceskosten, slaagt deze grief ook.
2. Wat appellanten verder in het hogerberoepschrift hebben aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de minister tot vergoeding van de bij appellanten met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten te veroordelen. De Afdeling bevestigt de uitspraak voor het overige. De minister moet de proceskosten voor de behandeling van de beroepen en het hoger beroep vergoeden.
4.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 maart 2025 in zaken nrs. NL25.6646, NL25.6647, NL25.6648 en NL25.6649, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de minister van Asiel en Migratie te veroordelen tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten;
III. bevestigt die uitspraak voor het overige;
IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.C.S. Heinen, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Heinen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2025
984