De minister van Asiel en Migratie legde op 11 december 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan een vreemdeling. De rechtbank Den Haag verklaarde deze maatregel op 16 januari 2025 onrechtmatig vanwege onaanvaardbare detentieomstandigheden in het Justitieel Complex Schiphol, en beval opheffing met schadevergoeding.
De minister stelde hoger beroep in en verzocht de Raad van State om een voorlopige voorziening zodat de maatregel gehandhaafd blijft tot het hoger beroep is beslist. De minister voerde aan dat het belang van grensbewaking zwaarder weegt en dat onmiddellijke opheffing onomkeerbare gevolgen zou hebben voor de toegang tot het Schengengebied.
De voorzieningenrechter oordeelde dat ondanks de ingrijpende gevolgen voor de vreemdeling, het grensbewakingsbelang zwaarder weegt onder de gegeven omstandigheden. Daarom werd de voorlopige voorziening toegewezen, waardoor de vrijheidsontnemende maatregel niet hoeft te worden opgeheven totdat het hoger beroep is afgerond.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel blijft gehandhaafd totdat het hoger beroep is beslist.
Uitspraak
202500318/3/V3.
Datum uitspraak: 17 januari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 16 januari 2025 in zaak nr. NL25.343 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 11 december 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 16 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 16 januari 2025 bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Het oordeel van de rechtbank
1. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrijheidsontnemende maatregel van begin af aan onrechtmatig is geweest. De minister heeft de vreemdeling eerder een andere vrijheidsontnemende maatregel opgelegd, die ten uitvoer werd gelegd in het Justitieel Complex Schiphol (hierna: het JCS). Volgens de rechtbank was die maatregel onrechtmatig door de detentieomstandigheden daar. Dat maakt volgens de rechtbank deze maatregel onevenredig bezwarend, en dus ook onrechtmatig.
Het verzoek van de minister
2. De minister verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist. Daarbij beroept hij zich op het grensbewakingsbelang. De minister betoogt dat de rechtbankuitspraken over de detentieomstandigheden in het JCS, en in het verlengde daarvan de aangevallen uitspraak, een dusdanig algemene strekking hebben, dat afwijzing van zijn verzoeken met zich brengt dat hij genoodzaakt zal zijn om per direct alle vreemdelingen die volgens de rechtbank onrechtmatig in het JCS verblijven of hebben verbleven, in vrijheid te stellen. Omdat hen daarmee de toegang tot het Schengengebied zal moeten worden verleend, leidt dat volgens de minister tot onomkeerbare gevolgen.
Beoordeling
3. Hoewel de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel voor de vreemdeling ingrijpend is, komt naar het oordeel van de voorzieningenrechter onder de gegeven omstandigheden een zwaarder gewicht toe aan het door de minister ingeroepen grensbewakingsbelang. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om de gevraagde voorlopige voorzieningen te treffen.
4. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vrijheidsontnemende maatregel niet hoeft te worden opgeheven totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.