ECLI:NL:RVS:2025:1648
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- M. den Heyer
- M.C. Stoové
- Rechtspraak.nl
Vernietiging tussenuitspraak rechtbank over opheffing maatregel van bewaring in asielprocedure
Betrokkene, met de Senegalese nationaliteit, diende op 20 juni 2024 een opvolgende asielaanvraag in. De minister stelde haar op die dag in bewaring op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De minister wees de asielaanvraag bij besluit van 10 juli 2024 af. Betrokkene stelde beroep in tegen dit besluit bij de rechtbank.
Tijdens de zitting bij de rechtbank bleek dat er geen tolk aanwezig was, waardoor de behandeling werd onderbroken. De rechtbank oordeelde in een mondelinge tussenuitspraak van 27 augustus 2024 dat de voortzetting van de maatregel van bewaring niet langer gerechtvaardigd was en beval opheffing van de bewaring. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de rechtbank buiten de grenzen van het geding is getreden door ambtshalve de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring te toetsen in een procedure die alleen betrekking had op het asielbesluit. Toetsing van de bewaring is slechts mogelijk in een procedure tegen die maatregel zelf. Daarom wordt het hoger beroep van de minister gegrond verklaard en de tussenuitspraak van de rechtbank vernietigd.
De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 14 april 2025.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de tussenuitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de minister gegrond.