Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:1776

Raad van State

Datum uitspraak
18 april 2025
Publicatiedatum
18 april 2025
Zaaknummer
202500130/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 17 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet-behandeling asielaanvraag na tijdsverloop

De minister van Asiel en Migratie had op 28 oktober 2024 besloten een asielaanvraag van betrokkene niet in behandeling te nemen. Betrokkene stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 2 januari 2025 het besluit vernietigde en de minister opdroeg binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. Tijdens de procedure nam de minister de asielaanvraag alsnog in behandeling vanwege het tijdsverloop. Hierdoor verloor het hoger beroep zijn praktische betekenis, omdat de rechtbank had geoordeeld dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom artikel 17 van Pro de Dublinverordening niet werd toegepast.

De Raad van State oordeelde dat de minister hierdoor geen belang meer had bij het hoger beroep en verklaarde dit niet-ontvankelijk. Tevens werd bepaald dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister is niet-ontvankelijk verklaard omdat de aanvraag inmiddels alsnog in behandeling is genomen.

Uitspraak

202500130/1/V3.
Datum uitspraak: 18 april 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 2 januari 2025 in zaak nr. NL24.42074 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 28 oktober 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 2 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een nader stuk ingediend en op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
Overwegingen
1.       De minister heeft de asielaanvraag van betrokkene als gevolg van tijdsverloop alsnog in behandeling genomen. Daarom heeft de door de minister in het hoger beroep bestreden overweging van de rechtbank dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom zij artikel 17 van Pro de Dublinverordening niet toepast, geen praktische betekenis meer. Om die reden heeft de minister geen belang meer bij een beoordeling van het hoger beroep.
2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2025
347-1017