ECLI:NL:RVS:2025:178
Raad van State
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Raad van State stelt burgemeester Den Haag in gebreke wegens niet tijdig nemen besluit
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in deze zaak het beroep van appellanten tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de burgemeester van Den Haag behandeld. Eerder had de Afdeling bij uitspraak van 17 april 2024 de burgemeester opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen. Deze termijn is echter overschreden.
Appellanten hebben vervolgens beroep ingesteld wegens het uitblijven van het besluit. De burgemeester stelde bij besluit van 14 oktober 2024 een dwangsom vast wegens de overschrijding, maar appellanten maakten bezwaar dat naar de Afdeling werd verwezen. De Afdeling verklaarde het beroep tegen het dwangsombesluit ongegrond, maar het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond.
De Afdeling vernietigde het niet tijdig genomen besluit en stelde een nieuwe uiterste beslistermijn vast tot 14 maart 2025. Tevens legde zij een dwangsom op van €150 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat de burgemeester na deze datum in gebreke blijft. Daarnaast werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellanten.
Ter zitting werd met partijen overeenstemming bereikt over de nieuwe beslistermijn. De uitspraak benadrukt het belang van tijdige besluitvorming door bestuursorganen en de handhaving van wettelijke termijnen.
Uitkomst: De burgemeester van Den Haag is opgedragen uiterlijk 14 maart 2025 een besluit te nemen onder dreiging van een dwangsom.