ECLI:NL:RVS:2025:182
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- J.Th. Drop
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende gegronde vrees voor vervolging in Libië
De vreemdeling, met de Libische nationaliteit en behorend tot de Tawergha-stam, verzocht om een verblijfsvergunning asiel. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees dit verzoek af op grond van ongeloofwaardigheid van zijn verhaal en onvoldoende bewijs van een gegronde vrees voor vervolging.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarna hij hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling onderzocht of het langdurige verblijf in het buitenland, zijn donkere huidskleur en Tawergha-afkomst voldoende indicaties vormden voor een gegronde vrees voor vervolging.
De Afdeling nam het Algemeen Ambtsbericht Libië (2023) in overweging en concludeerde dat het langdurige verblijf in het buitenland niet automatisch leidt tot negatieve aandacht van milities, zeker niet omdat de vreemdeling Libië in 2004 verliet, ruim voor de revolutie van 2011. Ook werd geoordeeld dat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat zijn donkere huidskleur of stamafkomst hem blootstelt aan zodanige vervolging dat een gegronde vrees bestaat.
De Afdeling bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag bevestigd.