ECLI:NL:RVS:2025:187

Raad van State

Datum uitspraak
22 januari 2025
Publicatiedatum
22 januari 2025
Zaaknummer
202408033/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minister tot vergoeding proceskosten na niet-ontvankelijkheid verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De vreemdeling stelde terecht dat de rechtbank de minister ten onrechte niet had veroordeeld tot vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten. De rechtbank had vastgesteld dat de minister onjuiste data gebruikte in het voornemen en besluit, wat een zorgvuldigheidsgebrek opleverde, maar besloot dit te passeren. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank de minister wel had moeten veroordelen tot proceskostenvergoeding.

De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het deel van het vonnis waarin de proceskostenvergoeding werd afgewezen en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van zowel het beroep als het hoger beroep, met een lichte wegingsfactor voor het hoger beroep vanwege de beperkte aard daarvan.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van het beroep en hoger beroep wegens onjuiste gegevens in het besluit.

Uitspraak

202408033/1/V3.
Datum uitspraak: 22 januari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­-Hertogenbosch, van 19 december 2024 in zaak nr. NL22.22035 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 27 oktober 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 19 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Habib-Portier, advocaat in Oss, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De vreemdeling voert in zijn enige grief terecht aan dat de rechtbank de minister ten onrechte niet heeft veroordeeld in de door hem gemaakte proceskosten. De rechtbank heeft overwogen dat de vreemdeling door het gebruik van onjuiste data in zowel het voornemen als het besluit, op het verkeerde been is gezet. Zij heeft hierin een zorgvuldigheidsgebrek geconstateerd, maar heeft aanleiding gezien dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb te passeren. Gelet hierop had de rechtbank de minister moeten veroordelen tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten.
De grief slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover aangevallen, dat wil zeggen voor zover de rechtbank de minister daarin niet heeft veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten voor het beroep van de vreemdeling. De minister moet de proceskosten die de rechtbank in beroep ten onrechte niet heeft toegekend en de proceskosten voor het hoger beroep vergoeden. De Afdeling past bij de proceskosten voor het hoger beroep een wegingsfactor licht (factor 0,5) toe, omdat het hoger beroep alleen gaat over de proceskostenveroordeling en van eenvoudige aard is.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 19 december 2024 in zaak nr. NL22.22035, voor zover de rechtbank de minister van Asiel en Migratie niet heeft veroordeeld tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten;
III.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2025
18-1085