ECLI:NL:RVS:2025:190
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewenstverklaring en beëindiging verblijfsrecht gemeenschapsonderdaan
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 21 december 2021 het verblijfsrecht van de vreemdeling als gemeenschapsonderdaan beëindigd en hem ongewenst verklaard. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 20 oktober 2022 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 13 augustus 2024 het beroep ongegrond verklaarde voor zover het gericht was tegen de ongewenstverklaring en niet-ontvankelijk voor zover het gericht was tegen de beëindiging van het verblijfsrecht.
De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze Afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld en geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat er sprake is van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. De overige grieven van de vreemdeling faalden eveneens.
De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep geen vragen bevat die beantwoord moeten worden in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.