AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging afwijzing handhavingsverzoek tegen bouwwerken en erfafscheidingen in Eindhoven
Appellant heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven verzocht handhavend op te treden tegen twee erfafscheidingen en diverse bouwwerken aan de Cluselaan 17, 19 en 31, omdat deze zonder omgevingsvergunning zouden zijn gebouwd. Het college wees dit verzoek af omdat appellant volgens hen geen belanghebbende was, waardoor het verzoek geen aanvraag in de zin van de Awb was. Het bezwaar van appellant tegen deze afwijzing werd niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dit oordeel. De Afdeling overwoog dat het feit dat de bouwwerken betrokken zijn bij de welstandsbeoordeling van de buren niet betekent dat appellant belanghebbende is. Ook werd benadrukt dat de bedrijfsmatige activiteiten aan de Cluselaan niet in het handhavingsverzoek genoemd zijn en dat deze activiteiten juridisch verschillen van de bouwactiviteiten.
De Afdeling concludeerde dat appellant geen belanghebbende is bij het handhavingsverzoek en dat het beroep ongegrond is. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak van de rechtbank wordt daarmee bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
202302132/1/R2.
Datum uitspraak: 30 april 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Eindhoven,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 februari 2023 in zaak nr. 21/2517 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven
Procesverloop
Bij brief van 29 maart 2021 heeft het college het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen twee erfafscheidingen en verschillende bouwwerken aan de Cluselaan 17, 19 en 31 in Eindhoven afgewezen.
Bij besluit van 15 september 2021 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 24 februari 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht op zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
2. [appellante] woont aan de [locatie] in Eindhoven. Zij vindt dat de buurt wordt ontsierd door twee erfafscheidingen en verschillende bouwwerken aan de Cluselaan 17, 19 en 31 in Eindhoven. Zij heeft het college verzocht om daartegen handhavend op te treden. Volgens [appellante] zijn deze bouwwerken ten onrechte zonder omgevingsvergunning gebouwd.
3. Het college heeft dit verzoek afgewezen. Volgens het college is [appellante] geen belanghebbende bij haar verzoek om handhaving, waardoor haar verzoek geen aanvraag is in de zin van artikel 1:3 vanPro de Awb. Daarom is de afwijzing van het verzoek geen besluit en heeft het college het bezwaar van [appellante] tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] tegen dit besluit ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft gemotiveerd uiteengezet waarom [appellante] geen belanghebbende is bij haar verzoek om handhaving. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen onder 10 en 11 waarop dat oordeel is gebaseerd.
4.1. De Afdeling voegt daar aan toe dat ook de omstandigheid dat de bouwwerken aan de Cluselaan zijn betrokken bij de welstandsbeoordeling van de bouwwerken bij de buren van [appellante], niet betekent dat [appellante] daarom als belanghebbende bij haar verzoek om handhaving tegen de bouwwerken aan de Cluselaan moet worden aangemerkt. Ook is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat [appellante] de bedrijfsmatige activiteiten aan de Cluselaan niet heeft genoemd in haar handhavingsverzoek. Deze activiteiten vallen ook niet samen met de mogelijke overtredingen die zij wel heeft genoemd in het handhavingsverzoek. De vraag of een omgevingsvergunning nodig is voor het gebruik van de percelen voor bedrijfsmatige activiteiten in strijd met het bestemmingsplan, is namelijk wezenlijk anders dan de vraag of een omgevingsvergunning nodig is voor het bouwen van bouwwerken en erfafscheidingen op die percelen.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.