ECLI:NL:RVS:2025:1956
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bouwvergunning voor nieuwbouwwoning aan locatie in Gorinchem bevestigd
Het college van burgemeester en wethouders van Gorinchem trok bij besluit van 31 maart 2020 de bouwvergunning van 7 januari 1994 voor een nieuwbouwwoning aan een locatie in Gorinchem in. De vergunninghouder, die in een tijdelijke woning woont en de grond in gebruik heeft, was van plan een permanente woning te bouwen maar had dit nog niet gerealiseerd. De rechtbank Rotterdam verklaarde het bezwaar van de vergunninghouder gegrond en herroept het besluit tot intrekking.
Het college stelde hoger beroep in, evenals de vergunninghouder incidenteel hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het college bevoegd was de vergunning in te trekken omdat er gedurende 26 weken voorafgaand aan het besluit geen bouwwerkzaamheden zijn verricht. Tevens is niet aannemelijk dat het college toezeggingen heeft gedaan waardoor de vergunninghouder mocht vertrouwen op het blijvend kunnen gebruiken van de vergunning.
De Afdeling stelt verder dat de rechtbank ten onrechte het belang van de vergunninghouder bij het gebruik van de grond en tijdelijke woning heeft meegewogen, terwijl het besluit alleen ziet op de bouwvergunning voor de permanente woning. Het college heeft terecht gewezen op gewijzigde ruimtelijke omstandigheden en regelgeving die het bouwen van een woning op die plek onwenselijk maken. De Afdeling verklaart het incidenteel hoger beroep ongegrond, het hoger beroep van het college gegrond en vernietigt het vonnis van de rechtbank, waarna het beroep alsnog ongegrond wordt verklaard.
Uitkomst: De Raad van State verklaart het hoger beroep van het college gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank, waarmee de intrekking van de bouwvergunning wordt bevestigd.