ECLI:NL:RVS:2025:196
Raad van State
- Hoger beroep
- M.M. Kaajan
- Rechtspraak.nl
Bevestiging matiging invordering dwangsom wegens gedeeltelijke verwijdering woning
Appellant heeft in strijd met de Wabo een extra woning gebouwd en kreeg een last onder dwangsom opgelegd om deze te verwijderen. Nadat appellant de woning niet volledig had verwijderd, werd de dwangsom van €30.000,- ingevorderd. Appellant stelde dat hij mocht vertrouwen op het door het college goedgekeurde plan van aanpak en dat de rechtbank het bedrag ten onrechte niet verder had gematigd.
De rechtbank matigde het bedrag tot €10.000,- vanwege bijzondere omstandigheden, waaronder de gedeeltelijke verwijdering en het feit dat appellant uiteindelijk alle restanten had verwijderd. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellant niet mocht vertrouwen op een afspraak over gedeeltelijke verwijdering, omdat het plan van aanpak niet expliciet de vloer, fundering en nutsvoorzieningen uitsloot.
Daarnaast heeft appellant onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij financieel niet in staat is het bedrag te betalen. De Afdeling bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Een verzoek tot een bestuurlijke lus en schadevergoeding wordt eveneens afgewezen.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de matiging van de invordering van de dwangsom tot €10.000 en wijst het hoger beroep af.