Uitspraak
Datum uitspraak: 30 april 2025
BESTUURSRECHTSPRAAK
appellante,
voorzitter
griffier
Raad van State
De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen de weigering van de Dienst Toeslagen om compensatie toe te kennen voor het jaar 2008. Appellante stelde dat de Dienst Toeslagen institutioneel vooringenomen had gehandeld door niet nader informatie op te vragen over de opvang van haar tweeling. De Dienst Toeslagen had geweigerd compensatie toe te kennen omdat zij geen fouten zag in de beoordeling van de kinderopvangtoeslag over 2008.
De Raad van State overwoog dat appellante bij het invullen van antwoordformulieren in 2009 mogelijk een vergissing had gemaakt, maar dat de Dienst Toeslagen op basis van de overgelegde stukken geen aanleiding had om nadere vragen te stellen. Ook de omstandigheid dat appellante telefonisch geïnformeerd zou zijn dat zij geen recht had op toeslag voor de tweeling, wijzigde hier niets aan. De Raad stelde vast dat het niet nader opvragen van informatie geen aanwijzing is voor institutionele vooringenomenheid.
Verder oordeelde de Raad dat het niet als zodanig behandelen van het bezwaarschrift niet leidt tot een oordeel van vooringenomenheid, ondanks dat dit in strijd was met de Awb. Het subsidiaire beroep op de hardheidsregeling werd eveneens verworpen. De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot compensatie voor 2008 wordt bevestigd.