ECLI:NL:RVS:2025:2023
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunningen
Verzoekers, bestaande uit twee personen en hun minderjarige kinderen, kregen hun verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd ingetrokken door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bij besluit van 26 november 2019. Na een bezwaarprocedure waarbij het bezwaar opnieuw ongegrond werd verklaard, verklaarde de rechtbank Den Haag het beroep van verzoekers gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de minister om een nieuw besluit te nemen.
Verzoekers stelden vervolgens hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank en verzochten de voorzieningenrechter van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen om de intrekking van de verblijfsvergunningen te schorsen tijdens de behandeling van het hoger beroep. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat er geen spoedeisend belang bestond om een voorlopige voorziening te treffen.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en werd de minister niet verplicht om proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter mr. J.J.W.P. van Gastel op 7 mei 2025.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van verblijfsvergunningen wordt afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.