ECLI:NL:RVS:2025:2027
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en ongegrondverklaring beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel in grensdetentie
De minister van Asiel en Migratie legde op 30 november 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan betrokkene in het kader van grensdetentie. Betrokkene stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 20 december 2024 het beroep gegrond verklaarde, de maatregel ophefte en schadevergoeding toekende.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, terwijl betrokkene incidenteel hoger beroep instelde. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het incidenteel hoger beroep van betrokkene niet-ontvankelijk was vanwege wettelijke uitsluiting in grensdetentiezaken.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en oordeelde dat het Justitieel Complex Schiphol (JCS) ten tijde van de detentie wel degelijk een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie was, waardoor de maatregel rechtmatig was. Ook werd het beroep ongegrond verklaard omdat de medische omstandigheden van betrokkene geen aanleiding gaven tot een lichtere maatregel.
Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd op 7 mei 2025 openbaar uitgesproken door de enkelvoudige kamer van de Afdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister is gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van betrokkene niet-ontvankelijk, het beroep ongegrond en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.