ECLI:NL:RVS:2025:2027

Raad van State

Datum uitspraak
7 mei 2025
Publicatiedatum
6 mei 2025
Zaaknummer
202407781/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 10 OpvangrichtlijnArt. 83c Vw 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank en ongegrondverklaring beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel in grensdetentie

De minister van Asiel en Migratie legde op 30 november 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan betrokkene in het kader van grensdetentie. Betrokkene stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 20 december 2024 het beroep gegrond verklaarde, de maatregel ophefte en schadevergoeding toekende.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, terwijl betrokkene incidenteel hoger beroep instelde. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het incidenteel hoger beroep van betrokkene niet-ontvankelijk was vanwege wettelijke uitsluiting in grensdetentiezaken.

De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en oordeelde dat het Justitieel Complex Schiphol (JCS) ten tijde van de detentie wel degelijk een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie was, waardoor de maatregel rechtmatig was. Ook werd het beroep ongegrond verklaard omdat de medische omstandigheden van betrokkene geen aanleiding gaven tot een lichtere maatregel.

Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd op 7 mei 2025 openbaar uitgesproken door de enkelvoudige kamer van de Afdeling.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister is gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van betrokkene niet-ontvankelijk, het beroep ongegrond en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

202407781/1/V3.
Datum uitspraak: 7 mei 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1.       de minister van Asiel en Migratie,
2.       [betrokkene],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 december 2024 in zaak nr. NL24.48881 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 30 november 2024 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 20 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. S.N. Ali, advocaat in Almere, heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Dit stuk wordt ook als een schriftelijke uiteenzetting aangemerkt.
Overwegingen
Het hoger beroep van de minister
1.       De minister komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het JCS onder de omstandigheden ten tijde van de grensdetentie van betrokkene geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie meer was in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie daarom onrechtmatig is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789.
1.1.    De grief slaagt.
Het incidenteel hoger beroep van betrokkene
2.       Gelet op artikel 83c, vierde lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is geen incidenteel hoger beroep mogelijk in een grensdetentiezaak. Het incidenteel hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Conclusie over het hoger beroep
3.       Het hoger beroep van de minister is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene is niet-ontvankelijk. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Het beroep
4.       De beroepsgrond dat de bewaring onevenredig bezwarend is vanwege de medische omstandigheden van betrokkene, slaagt niet. De minister heeft zich in de maatregel terecht op het standpunt gesteld dat er in het JCS een medisch centrum aanwezig is, waar betrokkene zich toe kan wenden. Tijdens het nader gehoor van 10 december 2024 heeft betrokkene verklaard dat hij weliswaar andere medicijnen heeft gekregen voor zijn bloedstolling, maar dat die dezelfde werking hebben als de medicijnen die hij normaal gesproken heeft. Betrokkene stelt dat de medische dienst niet heeft gereageerd nadat hij zijn medische gegevens had opgevraagd, maar ook dat hij herhaaldelijk een arts heeft gezien. De minister heeft in deze omstandigheden daarom geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel op te leggen.
5.       Omdat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk;
III.      vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 december 2024 in zaak nr. NL24.48881;
IV.     verklaart het beroep ongegrond;
V.      wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Jong, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2025
981