ECLI:NL:RVS:2025:2045
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag kindgebonden budget bij co-ouderschap
Appellant en zijn ex-partner hebben co-ouderschap over twee kinderen, waarbij de kinderen om de week bij appellant verblijven. Appellant ontvangt via de lopende aanvraag van zijn ex-partner de helft van de kinderbijslag, maar de ex-partner is de rechthebbende en ontvangt het kindgebonden budget.
De Dienst Toeslagen wees het verzoek van appellant om herziening van de afwijzing van zijn aanvragen voor kindgebonden budget af, omdat volgens artikel 2, tiende lid, van de Wet op het kindgebonden budget alleen de ouder die het recht op kinderbijslag heeft, aanspraak kan maken op kindgebonden budget.
Appellant voerde in hoger beroep grotendeels dezelfde gronden aan als in eerdere procedures, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank Rotterdam en verklaart het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.