ECLI:NL:RVS:2025:2177
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing vergunning kamerbewoning Rotterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam verleende op 11 juni 2020 een vergunning voor kamerbewoning voor maximaal zeven personen aan een eigenaar van een woning in Rotterdam. De vergunning legaliseerde een bestaande situatie. Een omwonende maakte bezwaar tegen de vergunning vanwege vermeende overlast en het ontbreken van een positieve invloed op de buurt.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het bezwaar gegrond, vernietigde het besluit van het college en wees de vergunningaanvraag af. Het college ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep behandeld en overwogen dat het college beoordelingsvrijheid heeft bij de vraag of kamerbewoning een positieve invloed heeft op het woonmilieu en de leefbaarheid.
Hoewel het college de aanwezigheid van een clausule over vrijwilligerswerk in de huurovereenkomst en het ontbreken van recente overlast als motieven aanvoerde, vond de Afdeling dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar het aantal bestaande studentenhuizen in de omgeving en onvoldoende had gemotiveerd hoe deze situatie zich verhoudt tot de vergunningverlening. De rechtbank mocht niet zelf in de zaak voorzien door de vergunningaanvraag af te wijzen.
De Afdeling vernietigde daarom het deel van de uitspraak van de rechtbank waarin zij zelf de vergunningaanvraag afwees, bevestigde de rest van de uitspraak en droeg het college op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen. Tegen het nieuwe besluit kan alleen bij de Afdeling beroep worden ingesteld.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard en de rechtbank mocht niet zelf de vergunningaanvraag afwijzen; het college moet een nieuw besluit nemen.