ECLI:NL:RVS:2025:2178
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Raad van State bevestigt vergunning voor kamerbewoning ondanks bezwaren buren
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam verleende op 28 april 2020 een vergunning voor kamerbewoning aan de eigenaar van een woning voor maximaal zes personen. Deze vergunning legaliseerde een bestaande situatie. Een buurvrouw maakte bezwaar vanwege overlast van huurders, maar het college handhaafde de vergunning in het besluit van 2 februari 2021. De rechtbank oordeelde echter dat onvoldoende was aangetoond dat de kamerbewoning een positieve invloed had op het woonmilieu en de leefbaarheid, en vernietigde het besluit.
Het college ging in hoger beroep bij de Raad van State, die het oordeel van de rechtbank verwierp. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde dat het college beoordelingsruimte heeft om te bepalen of kamerbewoning een positieve invloed heeft, en dat het college deze ruimte op juiste wijze had benut door verschillende omstandigheden mee te wegen, zoals de legalisering van een bestaande situatie, het ontbreken van overlastmeldingen en het vrijwilligerswerk van studenten.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van het college verwierp en verklaarde het hoger beroep van het college gegrond. Het beroep van de buurvrouw werd ongegrond verklaard, waardoor het besluit van 2 februari 2021 in stand blijft en de vergunning voor kamerbewoning geldig is.
Uitkomst: De Raad van State verklaart het hoger beroep van het college gegrond en handhaaft het besluit tot vergunningverlening voor kamerbewoning.