ECLI:NL:RVS:2025:221
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet-behandeling aanvraag verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 3 december 2024 niet in behandeling werd genomen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het besluit vernietigde maar de rechtsgevolgen in stand liet. Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank zou worden vernietigd en dat de belangen van zowel de staatssecretaris als de vreemdeling in aanmerking genomen geen voorlopige voorziening rechtvaardigden. Daarbij werd meegewogen dat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek bij Polen lag volgens de Dublinverordening en dat de overdrachtstermijn op 22 januari 2025 zou verstrijken.
De voorzieningenrechter wees het verzoek af en bepaalde dat de minister geen proceskosten hoefde te vergoeden. De overdracht aan Polen zou geen onomkeerbare gevolgen hebben, en indien Nederland uiteindelijk verantwoordelijk zou zijn, zou terugleiding vanuit Polen mogelijk zijn.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de vreemdeling wordt overgedragen aan Polen.