202300189/1/R2.
Datum uitspraak: 21 mei 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Tilburg,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 december 2022 in zaak nr. 22/1962 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.
Procesverloop
Bij besluit van 22 november 2021 heeft het college [appellant] opgedragen de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, en artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo aan de [locatie] in Tilburg te beëindigen en beëindigd te houden. Als hij dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen van € 1.000,00 per constatering met een maximum van € 5.000,00.
Bij besluit van 17 maart 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 december 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 13 mei 2025, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. J.B.M. van Overdijk, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
2. [appellant] wil een berging bij zijn woning bouwen en heeft daarvoor de werkzaamheden opgestart. Het college heeft [appellant] opgedragen te stoppen met de bouw, omdat hij geen omgevingsvergunning heeft voor de bouw van de berging. Op dezelfde dag heeft [appellant] bij het Kadaster een verzoek ingediend voor splitsing van zijn perceel in twee kadastrale percelen. Vanaf 9 oktober 2020 heeft het stuk grond waarop de al bestaande berging achteraan het erf staat, een apart kadastraal nummer. Volgens [appellant] heeft hij daarom geen omgevingsvergunning meer nodig, omdat de bouw nu vergunningvrij is. Het college denkt daar anders over en stelt zich op het standpunt dat de wijze van kadastrale registratie niet uitmaakt voor de omvang van het perceel dat wordt betrokken bij de beoordeling of een bijbehorend bouwwerk vergunningvrij is.
3. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.3 en 6.6 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
3.1. Zij voegt daaraan nog toe dat het Besluit omgevingsrecht (Bor) - waarin het omgevingsvergunningvrij bouwen is geregeld waarop [appellant] een beroep doet - geen definitiebepaling van ‘perceel’ kent. Voor de beantwoording van de vraag of percelen als één perceel in de zin van het Bor moeten worden aangemerkt, is de feitelijke actuele situatie van belang, waaronder de inrichting en wijze van gebruik van de gronden. Dat een deel van het perceel op een ander kadastraal perceel ligt, maakt voor deze beoordeling niet uit. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraken van 15 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0146, onder 2.1, en 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:587. De rechtbank heeft op basis van de inrichting van de percelen als tuin bij zijn woning terecht overwogen dat de twee kadastrale percelen zijn aan te merken als één perceel in de zin van het Bor. 4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Ahmady-Pikart
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2025
638