ECLI:NL:RVS:2025:2363

Raad van State

Datum uitspraak
28 mei 2025
Publicatiedatum
22 mei 2025
Zaaknummer
202501947/1/R4 en 202501947/2/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • J. Gundelach
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.9 WaboArt. 2.1 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging omgevingsvergunning bedrijfsverzamelgebouw ondanks schaduwhinder en bestemmingsplanafwijking

Het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal verleende op 6 maart 2023 een omgevingsvergunning aan een vergunninghouder voor de bouw van een bedrijfsverzamelgebouw aan de Veesteeg in Boven-Leeuwen, dat buiten het bouwvlak van het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" valt. Verzoekster, wonende op het naastgelegen perceel, maakte bezwaar tegen het besluit vanwege de vermeende aantasting van haar woon- en leefklimaat, met name door schaduwhinder.

De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van verzoekster ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Raad van State en tevens een voorlopige voorziening verzocht. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het bouwplan minder schaduwwerking veroorzaakt dan de maximale bouwmogelijkheden binnen het bestemmingsplan, waardoor geen onaanvaardbare schaduwhinder is vastgesteld. De waardevermindering van de woning werd eveneens als onvoldoende zwaarwegend beoordeeld.

Verder wees de Raad van State het betoog van verzoekster af dat een beperking van toegestane bedrijvigheid op basis van een vroegere planologische situatie uit 1992 had moeten worden toegepast, omdat het onherroepelijke bestemmingsplan uit 2015 leidend is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning wordt bevestigd.

Uitspraak

202501947/1/R4 en 202501947/2/R4.
Datum uitspraak: 28 mei 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het hoger beroep van:
[verzoekster], wonend in Boven-Leeuwen, gemeente West Maas en Waal,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 februari 2025 in zaak nr. 23/7346 in het geding tussen:
[verzoekster]
en
het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal.
Procesverloop
Bij besluit van 6 maart 2023 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor een bedrijfsverzamelgebouw aan de Veesteeg in Boven-Leeuwen.
Bij besluit van 26 september 2023 heeft het college, naar aanleiding van het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar, het besluit van 6 maart 2023 in stand gelaten.
Bij uitspraak van 26 februari 2025 heeft de rechtbank het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld.
Ook heeft [verzoekster] de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het college en [vergunninghouder] hebben een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
[verzoekster], het college en [vergunninghouder] hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek tijdens een zitting behandeld op 12 mei 2025, waar [verzoekster], bijgestaan door [persoon A], en het college, vertegenwoordigd door C. Meulblok, zijn verschenen.
Verder is tijdens de zitting [vergunninghouder], bijgestaan door [persoon B] en mr. A.C. Oijen, als partij gehoord.
Overwegingen
Toepassing van artikel 8:86 van Pro de Awb
1.       In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
2.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 16 juni 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Juridisch kader
3.       Artikel 2.1, eerste lid, aanhef, van de Wabo luidt als volgt: "Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk;
[…];
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […]."
Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, luidt: "Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan […]:
[…] 2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, […].
Artikel 4, aanhef en onder 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht luidt: "Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,
b. de oppervlakte niet meer dan 150 m2.
4.       Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Inleiding
5.       [vergunninghouder] heeft op 16 juni 2022 een aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning ingediend voor een bedrijfsverzamelgebouw op een nog onbebouwd perceel aan de Veesteeg in Boven-Leeuwen. Het bouwplan voor dit bedrijfsverzamelgebouw valt buiten het bouwvlak, dat is opgenomen in het geldende bestemmingsplan "Bedrijventerreinen". Dat bestemmingsplan heeft de raad van de gemeente Maas en Waal bij besluit van 29 januari 2015 vastgesteld. Op grond van het bestemmingsplan is binnen het bouwvlak een bouwwerk met een maximale bouwhoogte tot 20 m en een goothoogte van 7,5 m toegestaan. Dit bouwvlak is gelegen op een afstand van 5 m van het perceel van [verzoekster] en heeft een lengte van ongeveer 104 m.
[verzoekster] woont op het naastgelegen perceel aan de noordzijde van het bouwplan en hij vindt dat het vergunde bedrijfsverzamelgebouw zijn woon- en leefklimaat aantast. Het gaat [verzoekster] hierbij in het bijzonder om de schaduwwerking als gevolg van deze bebouwing.
6.       Het college heeft bij de besluitvorming vastgesteld dat de aanvraag van [vergunninghouder] in strijd is met het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen". Het voorziene bedrijfsverzamelgebouw is over de lengte aan de noordzijde 2 m buiten het bouwvlak en daarmee op 3 m van het perceel van [verzoekster] voorzien. Het gebouw heeft een lengte van 85 m en een bouwhoogte van 6,4 m. Het college heeft aanleiding gezien om van het bestemmingsplan af te wijken en een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo te verlenen. Het college heeft bij de besluitvorming toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.
Schaduwhinder
7.       [verzoekster] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van onaanvaardbare schaduwhinder. Volgens [verzoekster] heeft de rechtbank hiervoor ten onrechte redengevend gevonden dat het bouwplan leidt tot minder schaduwwerking dan het geval zou zijn als in overeenstemming met de maximale bouwmogelijkheden uit het bestemmingsplan zou worden gebouwd. [verzoekster] wijst hierbij op de negatieve gevolgen van het bouwplan ten opzichte van de bestaande situatie, waarbij sprake is van een onbebouwd perceel. Over een lengte van 85 m wordt volgens [verzoekster] een gebouw van 6,4 m hoog gerealiseerd op maar 3 m van de perceelsgrens. Volgens hem wordt niet aan de zogenoemde lichte TNO-norm voor schaduwhinder voldaan.
7.1.    De voorzieningenrechter stelt voorop op dat het college alleen de aanvaardbaarheid van de afwijking van het bestemmingsplan mocht beoordelen. Daarbij moest worden bezien of de afwijking in overeenstemming is met het criterium van een goede ruimtelijke ordening in welk kader een afweging plaats moet vinden van alle betrokken belangen, waaronder het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waarop schaduwhinder een negatieve invloed kan hebben. Bij die afweging moest het college de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan al toestaat in aanmerking nemen, aangezien de ruimtelijke aanvaardbaarheid van die bouwmogelijkheden al is beoordeeld bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Dit betekent dat het college in dit geval bij de belangenafweging in ogenschouw moest nemen dat het bestemmingsplan ter plaatse binnen het bouwvlak al een bouwwerk met een maximale bouwhoogte toestaat tot 20 m en een goothoogte van 7,5 m en dat bouwvlak is gelegen op een afstand van 5 m van het perceel van [verzoekster] en een lengte heeft van ongeveer 104 m.
Zoals de voorzieningenrechter op de zitting in navolging van de rechtbank heeft vastgesteld, staat het tussen partijen vast dat het vergunde bouwplan leidt tot minder schaduwwerking dan het geval zou zijn, als in overeenstemming met de maximale bouwmogelijkheden uit het bestemmingsplan zou worden gebouwd. Op basis van de mogelijkheden was een gebouw van ongeveer 104 m lang en 20 m hoog. Nu gaat het om vergund gebouw van 85 m lang en 6,4 m hoog. De voorzieningenrechter volgt alleen al daarom de rechtbank in haar oordeel dat geen sprake is van onaanvaardbare schaduwhinder als gevolg van de vergunningverlening. De vraag of wel of niet wordt voldaan aan de lichte TNO-norm kan daarom onbesproken blijven.
Het betoog slaagt niet.
Waardevermindering van de woning
8.       Over het betoog van [verzoekster] dat het vergunde bedrijfsverzamelgebouw een negatieve invloed heeft op de waarde van zijn woning, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat, ook in het licht van wat het bestemmingsplan mogelijk maakt, die waardevermindering niet zo groot zal zijn dat het college bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan het heeft gedaan.
Het betoog slaagt niet.
Verwijzing naar een vroegere planologische situatie
9.       [verzoekster] betoogt dat het college bij de besluitvorming over het bedrijfsverzamelgebouw een beperking had moeten aanbrengen, in die zin dat alleen lichte bedrijvigheid in de zogenoemde categorie 1 zou zijn toegestaan. Hierbij wijst [verzoekster] op stukken inzake een bestemmingsplanprocedure uit 1992. Volgens [verzoekster] valt hieruit af te leiden dat het de bedoeling was dat op de locatie van het bouwplan alleen bedrijvigheid in categorie 1 zou mogen komen, dus een lagere categorie, met minder hinder voor omwonenden als gevolg, dan de categorie 2 tot en met 3.2 van de Lijst van bedrijven die op grond van het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" is toegestaan.
9.1.    De voorzieningenrechter stelt vast dat de planologische situatie uit 1992, waar [verzoekster] op doelt, geen betekenis meer heeft. Voor de besluitvorming van het college vormde het hierboven genoemde, onherroepelijke bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" het beoordelingskader. Aan de in geding zijnde gronden is in dat bestemmingsplan de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - 3" toegekend. Volgens artikel 5, lid 5.1, onder c, van de planregels van dit bestemmingsplan zijn de voor "Bedrijventerreinen" aangewezen gronden ter plaatse van deze aanduiding bestemd voor het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die staan vermeld in de categorie 2 t/m 3.2 van de Lijst van bedrijven, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen. Die uitzondering is hier niet aan de orde. Gelet hierop mocht het college geen beperking, zoals [verzoekster] wenst, aanbrengen in de toegestane bedrijvigheid.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie en proceskosten
10.     Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
11.     Omdat direct uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat namelijk geen grond meer.
12.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.
w.g. Gundelach
voorzieningenrechter
w.g. Van Loo
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2025
418