ECLI:NL:RVS:2025:2423

Raad van State

Datum uitspraak
22 mei 2025
Publicatiedatum
28 mei 2025
Zaaknummer
202403696/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.6 bijlage 1 Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020Art. 8:67 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing urgentieverklaring mantelzorg door Raad van State

De Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond (SUWR) wees de aanvraag van appellant om een urgentieverklaring af op grond van de urgentiegrond 'Mantelzorg'. Appellant woont samen met zijn zorgbehoevende moeder en verleent haar mantelzorg. De SUWR oordeelde dat de urgentiegrond bedoeld is om mantelzorgers en ontvangers dichter bij elkaar te laten wonen, wat hier niet aan de orde is omdat zij reeds samenwonen.

Appellant maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam die het bezwaar eveneens ongegrond verklaarde. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde deze uitspraak in het hoger beroep.

De Afdeling overwoog dat de urgentiegrond 'Mantelzorg' niet bedoeld is om mantelzorg te continueren, maar om mantelzorg mogelijk te maken door nabijheid te creëren. Omdat appellant en zijn moeder al samenwonen en hij haar mantelzorg verleent, is er geen grond voor een urgentieverklaring. Ook de door appellant ingeroepen hardheidsclausule werd niet toegepast. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en SUWR hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de urgentieverklaring omdat appellant en zijn moeder al samenwonen.

Uitspraak

202403696/1/A2.
Datum uitspraak: 22 mei 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Rotterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 mei 2024 in zaak nr. 23/6564 in het geding tussen:
[appellant]
en
Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond (hierna: SUWR)
Openbare zitting gehouden op 22 mei 2025 om 11:00 uur.
Tegenwoordig:
staatsraad mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer;
mr. M.M. Engele, griffier.
Verschenen:
[appellant], bijgestaan door mr. M. el Idrissi, advocaat te Rotterdam, en de SUWR, vertegenwoordigd door mr. J.C. Avedissian.
====================================
Bij besluit van 23 maart 2023 heeft de SUWR de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft de SUWR bij besluit van 17 augustus 2023 ongegrond verklaard.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank, waarin het beroep van [appellant] tegen het besluit van 17 augustus 2023 ongegrond is verklaard.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gronden
1.       [appellant] woont samen met zijn zorgbehoevende moeder. Hij helpt haar onder andere met administratieve en huishoudelijke taken. [appellant] heeft op 25 januari 2023 een urgentieverklaring aangevraagd op grond van de urgentiegrond ‘Mantelzorg’. Hij wil graag zelfstandig gaan wonen en tegelijkertijd voor zijn moeder kunnen blijven zorgen.
2.       De SUWR heeft bij besluit van 17 augustus 2023 de afwijzing van de aanvraag om een urgentieverklaring gehandhaafd. De SUWR heeft erop gewezen dat de urgentiegrond ‘Mantelzorg’ van artikel 5.6 van bijlage 1 bij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 (hierna: de Verordening) is bedoeld om te bewerkstelligen dat de mantelzorger en de mantelzorgontvanger dichter bij elkaar kunnen gaan wonen. [appellant] en zijn moeder wonen in dezelfde woning, daarom is die situatie niet aan de orde.
3.       Uit wat [appellant] naar voren heeft gebracht, is niet gebleken dat het oordeel van de rechtbank onjuist is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat met artikel 5.6 van bijlage 1 van de Verordening wordt beoogd mantelzorg mogelijk te maken en niet ook, zoals [appellant] betoogt, om mantelzorg te continueren. [appellant] woont bij zijn moeder en is in staat haar mantelzorg te verlenen. Er is daarom geen reden om [appellant] op grond van de urgentiegrond ‘Mantelzorg’ een urgentieverklaring te verlenen.
Het betoog slaagt niet.
4.       Met de rechtbank en anders dan [appellant] heeft aangevoerd, oordeelt de Afdeling dat er geen aanleiding is voor toepassing van de hardheidsclausule.
5.       Het hoger beroep is ongegrond.
6.       De SUWR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Engele
griffier
1033