ECLI:NL:RVS:2025:2452
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Nederlanderschap wegens gevaar voor openbare orde ondanks bijzondere omstandigheden
Appellant verzocht op 1 december 2020 om het Nederlanderschap, maar dit verzoek werd op 3 september 2021 afgewezen door de staatssecretaris op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). De afwijzing was gebaseerd op een eerdere veroordeling van appellant voor rijden onder invloed, waarbij een geldboete van € 850,00 werd opgelegd, wat binnen de rehabilitatietermijn van vijf jaar viel.
Appellant voerde aan dat hij bijzondere omstandigheden had, waaronder het traumatisch verlies van zijn moeder en de ernstige verwonding van zijn zusje, wat leidde tot een posttraumatische stressstoornis. Hij stelde dat deze omstandigheden en de geringe overschrijding van het normbedrag van de boete (met € 40,00) niet rechtvaardigen dat hij als gevaar voor de openbare orde wordt gezien. De rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelden echter dat deze omstandigheden niet als bijzonder kunnen worden aangemerkt omdat zij hebben bijgedragen aan het gepleegde misdrijf en reeds door de strafrechter zijn meegewogen.
Ook het feit dat appellant sinds het misdrijf geen verdere strafbare feiten heeft gepleegd en hulp heeft gezocht voor zijn psychische klachten, leidde niet tot een andere conclusie. De staatssecretaris hoefde appellant niet te horen in bezwaar omdat de nieuwe medische stukken en argumenten pas in beroep werden ingebracht. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de eerdere uitspraak dat het Nederlanderschap terecht is geweigerd.
Uitkomst: Het verzoek om Nederlanderschap wordt afgewezen wegens ernstige vermoedens dat appellant een gevaar vormt voor de openbare orde.