202500236/1/A2.
Datum uitspraak: 11 juni 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van bestuur van het ROC Da Vinci College (hierna: het college),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 20 september 2024 heeft het college [appellant] verwijderd van de opleiding Pedagogisch Werk en van het Da Vinci College, inclusief ontzegging van de toegang tot de schoolgebouwen en terreinen van het Da Vinci College.
Bij beslissing van 15 oktober 2024 heeft het college het verzoek van [appellant] voor toelating tot de opleiding Pedagogisch Werk met ingang van augustus 2025 afgewezen.
Bij beslissing van 4 december 2024 heeft het college, voor zover aangevallen, het door [appellant] tegen deze beslissingen ingestelde bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 11 maart 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Verspaandonk, advocaat in Den Haag, en het college, vertegenwoordigd mr. B.F.P.M. Lathouwers en R.H. Wulffele, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellant] volgt sinds augustus 2023 de opleiding Pedagogisch Werk aan het Da Vinci College. Vanwege ontoelaatbaar gedrag heeft het college bij beslissing van 20 september 2024 [appellant] verwijderd van de opleiding Pedagogisch Werk en van het Da Vinci College, inclusief ontzegging van de toegang tot de schoolgebouwen en terreinen van het Da Vinci College. Hiermee is zijn recht om onderwijs te volgen, inspraak op het onderwijs te leveren en toegang tot de fysieke en digitale voorzieningen te hebben komen te vervallen. In deze beslissing heeft het college ook opgenomen dat [appellant] zich in de toekomst niet kan inschrijven voor andere opleidingen bij het Da Vinci College. Zijn verzoek tot herinschrijving voor de opleiding Pedagogisch Werk in augustus 2025 heeft het college daarom afgewezen.
Welke omstandigheden hebben geleid tot deze beslissingen?
2. Op basis van de stukken in het dossier en wat op de zitting bij de Afdeling is besproken, gaat de Afdeling uit van de volgende feiten en omstandigheden die hebben geleid tot deze beslissingen.
2.1. Tussen december 2023 en juni 2024 heeft het gedrag van [appellant] bij medewerkers en studenten van het Da Vinci College tot de nodige onrust geleid. De domeinleider van de opleiding heeft vanaf december 2023 wekelijks gesprekken met [appellant] gevoerd. Het doel van deze gesprekken was om [appellant] de mogelijkheid te geven om zaken aan te kaarten die hem dwarszaten in plaats van een klacht in te dienen of direct de confrontatie aan te gaan met de studieloopbaanbegeleider of de docent. [appellant] was niet iedere week aanwezig voor de gesprekken, maar zowel de domeinleider als [appellant] hebben aangegeven dat deze gesprekken prettig verliepen. Naast deze gesprekken heeft [appellant] ook gesprekken gehad met een coach, soms ook samen met de domeinleider.
2.2. Ondanks deze gesprekken bleef ook na deze tijd frictie bestaan tussen [appellant] en medewerkers en studenten van het Da Vinci College. De schriftelijke communicatie door [appellant] werd als intimiderend ervaren en bevatte volgens het college ook valse beschuldigingen. Ook verspreidde [appellant] via sociale media, zoals LinkedIn, bewust negatieve en onjuiste berichten over het Da Vinci College. Ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld heeft [appellant] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn grieven met het college te bespreken. Het college heeft [appellant] op 11 juli 2024 een schriftelijke waarschuwing gegeven wegens zijn overtredingen van artikel 13 van het Studentenstatuut en artikel 8.2 van de Gedragscode ICT-faciliteiten. In de brief van 11 juli 2024 heeft het college [appellant] een open uitnodiging verstrekt om met elkaar in gesprek te komen. Van deze mogelijkheid heeft [appellant] geen gebruik gemaakt.
2.3. [appellant] bleef vervolgens het gedrag vertonen waarvoor hij door het college is gewaarschuwd. Het college heeft [appellant] op 29 augustus 2024 daarom het voornemen kenbaar gemaakt om hem met ingang van 2 september 2024 voor de duur van één week de toegang tot de terreinen en gebouwen van het Da Vinci College te ontzeggen. In verband met dit voornemen heeft het college [appellant] uitgenodigd voor een hoorgesprek op 30 augustus 2024. Hierop heeft [appellant] laten weten dat hij 30 augustus 2024 verhinderd was, maar dat hij op16 september 2024 wel aanwezig kon zijn voor een gesprek.
2.4. Bij beslissing van 30 augustus 2024 heeft het college het voorgenomen schorsingsbesluit genomen. Gelet op de overlast die het gedrag van [appellant] heeft veroorzaakt heeft het college ervoor gekozen om deze maatregel te nemen en niet te wachten totdat [appellant] beschikbaar was voor een gesprek. In het schorsingsbesluit heeft het college [appellant] uitgenodigd om, ondanks de schorsing, op 2 september 2024 om 10:00 uur met het college alsnog in gesprek te gaan over de schorsing en te bezien of het schorsingsbesluit zou moeten worden heroverwogen.
Op 2 september 2024 is [appellant], terwijl hij was geschorst, toch naar het Da Vinci College gegaan om onderwijs te volgen. Hij is hierop door de beveiliging uit de les verwijderd en verzocht om het pand te verlaten. Omdat [appellant] geen gehoor gaf aan dit verzoek, heeft de beveiliging de politie ingeschakeld. Na een gesprek met de politie heeft [appellant] het pand verlaten.
2.5. Op 6 september 2024 heeft het college [appellant] het voornemen kenbaar gemaakt om zijn inschrijving met ingang van 23 september 2024 definitief te beëindigen. Het college heeft [appellant] uitgenodigd voor een gesprek op 12 september 2024. De opgelegde schorsing heeft het college verlengd totdat het een besluit heeft genomen over de beëindiging van de inschrijving.
2.6. Op 9 september 2024 is [appellant], ondanks de schorsing, opnieuw naar het Da Vinci College gekomen. Als lid van de studentenraad wilde hij deelnemen aan de vergadering van de studentenraad. Hierop heeft de beveiliging hem opnieuw verzocht om het pand te verlaten. Omdat [appellant] hier geen gehoor aan heeft gegeven heeft de beveiliging opnieuw de politie gebeld. Ditmaal heeft [appellant] het pand niet vrijwillig willen verlaten, waarop de politie hem heeft aangehouden.
In de avond heeft [appellant] zich weer opgehouden op het terrein van het Da Vinci College. Na verzoek van de beveiliging heeft hij het terrein vrijwillig verlaten.
2.7. Bij beslissing van 20 september 2024 heeft het college de inschrijving van [appellant] definitief beëindigd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat [appellant] zich op online platforms zoals LinkedIn verschillende keren negatief, intimiderend en beledigend uitlaat over medestudenten, medewerkers, het college en het Da Vinci College in het algemeen. Ook verstoort [appellant] met zijn gedrag ernstig de onderwijsomgeving. In de studentenraad bejegent hij enkele leden en de coach op een aanvallende en beschuldigende manier. Zijn dreigementen met juridische stappen worden ervaren als intimiderend en maken het functioneren van de studentenraad onmogelijk. Daarnaast volgt [appellant] de aanwijzingen van medewerkers niet op, zoals ook blijkt uit de voorvallen op 2 en 9 september 2024. Ook dreigt [appellant] regelmatig met het indienen van klachten en dient hij met enige regelmaat daadwerkelijk klachten in. Hoewel hij dit recht heeft, zorgt zijn weigering om in gesprek te gaan om tot een oplossing te komen ervoor dat hij daarmee een onwerkbare situatie creëert. Dit alles heeft binnen de instelling geleid tot gevoelens van intimidatie en onveiligheid. In totaal zijn er twaalf meldingen binnengekomen bij de vertrouwenspersoon. Het belang van [appellant] om zijn opleiding af te kunnen ronden weegt volgens het college niet op tegen het belang van het waarborgen van een veilige leer- en werkomgeving voor studenten en medewerkers. Hierbij heeft het college mee laten wegen dat het niet verwacht dat [appellant] zijn gedrag op korte termijn zal veranderen, gelet op zijn gedrag en uitlatingen en zijn leeftijd van 29 jaar.
Beoordeling van het beroep
Verwijdering
3. [appellant] stelt zich op het standpunt dat het college onvoldoende redenen heeft om hem te verwijderen. Voor hem was er op 30 augustus 2023 geen aanleiding om met het college in gesprek te gaan. Bovendien was dit gesprek zo kort van tevoren gepland dat het voor hem niet mogelijk was om hierbij aanwezig te zijn. [appellant] meende juist te handelen door op 2 september 2024 naar school te komen, omdat hem was gevraagd om op gesprek te komen. Daarnaast heeft het college niet aangetoond dat zijn aanwezigheid en gedrag binnen de instelling tot dermate veel spanning en frustratie bij een aantal medewerkers hebben geleid dat verwijdering gerechtvaardigd is. [appellant] betwist ook dat hij niet heeft meegewerkt aan vruchtbare communicatie of aanvaardbaar gedrag. Hij moet aan de bel kunnen trekken in geval van misstanden.
3.1. Op grond van artikel 8.1.7d, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs (hierna: Web) kan het bevoegd gezag een student van de instelling verwijderen. Op grond van artikel 22.2 van het Studentenstatuut kan het college een student verwijderen wanneer het belang van een goede voortgang van het onderwijs hierom vraagt en zwaarder weegt dan het belang van de student om de opleiding af te ronden.
3.2. Het verwijderen van een student van de instelling is een ingrijpende maatregel en een beslissing hierover is geen beslissing die het college lichtvaardig kan nemen. Dat heeft het college in dit geval, naar het oordeel van de Afdeling, ook niet gedaan. Uit de overgelegde stukken en wat op de zitting is besproken blijkt dat het college [appellant] op verschillende manieren tegemoet heeft willen komen, onder andere met wekelijkse gesprekken met de domeinleider, de mogelijkheid om met een coach te praten en meerdere (open) uitnodigingen om de door hem gestelde misstanden met het college te bespreken. [appellant] is daar niet op ingegaan en heeft zijn gedrag ook niet aangepast. Hij is doorgegaan met het doen van ontoelaatbare uitingen op het internet, waarbij hij ook namen en foto’s van medestudenten, medewerkers en docenten heeft gebruikt. Dat [appellant] zich niet laat corrigeren blijkt ook uit de voorvallen tijdens zijn schorsing. Meermaals heeft [appellant] geweigerd om de aanwijzingen van de beveiliging op te volgen, waardoor tot tweemaal toe de politie moest worden ingeschakeld. Dit alles heeft binnen de onderwijsinstelling geleid tot gevoelens van onveiligheid. Uit het overzicht van de vertrouwenspersoon blijkt dat twaalf personen melding hebben gemaakt van de gedragingen van [appellant]. De melders ervaren allemaal spanningsklachten en ook ervaart een groot deel een verstoorde nachtrust, een hoge alertheid in en om het gebouw en/of maakt een groot deel van de melders zich zorgen over de kans op escalatie of wraak.
3.3. Gezien de door [appellant] veroorzaakte onrust bij medewerkers en studenten, terwijl hij zich niet laat corrigeren, heeft het college mogen concluderen dat verwijdering van [appellant] als student de enige aangewezen optie was. Ook op de zitting bij de Afdeling ontbrak het [appellant] aan enige reflectie op zijn gedrag en de invloed daarvan op zijn omgeving. Dat [appellant] stelt dat zijn handelen gerechtvaardigd is omdat hij misstanden aan het licht moet kunnen brengen, volgt de Afdeling niet. De gestelde misstanden, wat daarvan ook zij, kunnen de wijze waarop [appellant] deze meent te moeten aankaarten op geen enkele wijze rechtvaardigen. De weigering van [appellant] om met het college in gesprek te gaan en het ontbreken van een constructieve houding staan bovendien op gespannen voet met het door hem genoemde doel om misstanden binnen de instelling aan te pakken.
3.4. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellant] aangevoerd dat het voor hem erg belangrijk is om deze opleiding af te ronden. De Afdeling begrijpt dat de verwijdering verstrekkende gevolgen heeft voor [appellant], omdat hij hierdoor op zoek moet naar een andere school om zijn opleiding te vervolgen en de kans bestaat dat hij niet al zijn behaalde resultaten kan meenemen. Zijn belang bij het voortzetten van zijn opleiding bij het Da Vinci College weegt echter niet op tegen het belang van het college bij het waarborgen van een veilige leer- en werkomgeving. Het college heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat een terugkeer van [appellant] naar het onderwijs op dit moment hierop een zeer grote inbreuk zou maken. Op de zitting bij de Afdeling heeft het college herhaald dat het waar mogelijk medewerking zal verlenen aan het overzetten van de reeds behaalde studieresultaten.
3.5. Het betoog slaagt niet.
Herinschrijving
4. Volgens [appellant] bevat de Web en het studentenstatuut het college geen grondslag om zijn verzoek tot herinschrijving voor de opleiding Pedagogisch Werk met ingang van augustus 2025 te weigeren.
4.1. Op grond van artikel 8.1.7d van de Web heeft het college de bevoegdheid om een student van de instelling te verwijderen. Inherent aan deze bevoegdheid is dat het college een verzoek tot herinschrijving kan weigeren. Als het college deze bevoegdheid niet zou hebben zou de maatregel waarbij een student van de instelling wordt verwijderd niet kunnen worden geëffectueerd. Dit betekent echter niet dat een student zich nooit meer zou mogen inschrijven bij die instelling. Bij een verzoek tot herinschrijving na verwijdering moet het college de betrokken belangen afwegen. Het is denkbaar dat, bijvoorbeeld na verloop van tijd of andere ontwikkelingen, de betrokken belangen met zich brengen dat de student weer toegang moet krijgen tot de instelling.
4.2. Op de zitting bij de Afdeling heeft het college gemotiveerd uiteengezet dat de terugkeer van [appellant] met ingang van augustus 2025 opnieuw zal leiden tot gevoelens van spanning en onveiligheid bij de studenten en medewerkers. In dit kader heeft het college ook gewezen op berichten die [appellant] in januari 2025 naar het college heeft gestuurd. In deze berichten heeft [appellant] geëist dat het college binnen vijf dagen schriftelijk zijn fouten erkent, hem weer direct toegang verleent tot de opleiding en hem daarnaast een concreet voorstel doet voor compensatie van de door hem geleden schade. Hierbij heeft [appellant] gedreigd om artikelen, audio-opnames en videobeelden openbaar te maken als het college geen gehoor zou geven aan zijn eisen. Omdat het college hier niet op in is gegaan, heeft [appellant] verschillende audio-opnames op YouTube gezet en op LinkedIn een post geschreven over de coach van de studentenraad en daarin ook haar foto en LinkedIn profiel opgenomen. Deze handelwijze van [appellant] bevestigt naar het oordeel van de Afdeling het door het college ingenomen standpunt dat bij herinschrijving van [appellant] het veilige leer- en werkklimaat niet kan worden gewaarborgd.
4.3. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Rietveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2025
1064