ECLI:NL:RVS:2025:2516
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over onrechtmatige vrijheidsontnemende maatregel in vreemdelingenrecht
De minister van Asiel en Migratie legde appellant op 30 maart 2025 een vrijheidsontnemende maatregel op. Appellant stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 18 april 2025 het beroep gegrond verklaarde en schadevergoeding toekende wegens de onrechtmatigheid van de maatregel.
Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak, stellende dat de rechtbank niet binnen zeven dagen na sluiting van het onderzoek op 8 april 2025 uitspraak had gedaan, in strijd met artikel 94, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat deze klacht niet tot vernietiging leidt, mede omdat de vrijheidsontnemende maatregel al op 1 april 2025 was opgeheven en artikel 5, vierde lid, EVRM alleen spoedige beslissing vereist zolang de vrijheidsontneming voortduurt.
De Afdeling vond geen aanleiding tot ambtshalve toetsing omdat de rechtbank de maatregel vanaf het begin onrechtmatig had geoordeeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.