ECLI:NL:RVS:2025:2554
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- N. Verheij
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Veroordeling Instituut Mijnbouwschade Groningen tot aanvullende schadevergoeding voor boerderij in Westerbroek
Appellante, eigenares van een boerderij in Westerbroek, diende op 26 juli 2020 een schadevergoedingsverzoek in bij het Instituut Mijnbouwschade Groningen wegens mijnbouwschade aan haar gebouw. Na een deskundigenadvies kende het Instituut aanvankelijk een vergoeding toe van € 15.510,46 inclusief bijkomende kosten en wettelijke rente. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het Instituut ongegrond werd verklaard.
De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van appellante gegrond en vernietigde het besluit voor bepaalde schades (25 en 26), waarbij zij een lagere vergoeding toekende. Het Instituut stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Tijdens de behandeling van het hoger beroep betoogde appellante dat zij recht had op een hogere vergoeding voor de marmeren vloer, gesteund door een aanvullend tegenadvies.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank abusievelijk geen rekening had gehouden met een toeslag van 27% op de toegekende nettobedragen. De Afdeling vernietigde het gedeelte van de uitspraak waarin de vergoeding werd vastgesteld en veroordeelde het Instituut tot betaling van een aanvullende schadevergoeding van in totaal € 8.799,23, te vermeerderen met btw en wettelijke rente. Voor aanvullende schades die niet eerder waren gemeld, werd geoordeeld dat appellante een nieuwe aanvraag kan doen. Tevens werden proceskosten en griffierecht aan appellante toegekend.
Uitkomst: Het Instituut Mijnbouwschade Groningen wordt veroordeeld tot betaling van een aanvullende schadevergoeding van € 8.799,23 exclusief btw en wettelijke rente aan appellante.