ECLI:NL:RVS:2025:2692
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel en afwijzing voorlopige voorziening
Appellant heeft op 4 april 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister niet-ontvankelijk werd verklaard. Hiertegen stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 27 mei 2025 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep behandeld en geoordeeld dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. Het hoger beroep bevatte geen vragen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin, waardoor verdere motivering achterwege kon blijven.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens werd bepaald dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. Hiermee blijft de beslissing van de rechtbank in stand en wordt de aanvraag van appellant definitief afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, waarmee de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel definitief blijft.