ECLI:NL:RVS:2025:2919
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling minister na intrekking hoger beroep in asielzaak wegens niet-tijdige claimindiening Dublinverordening
Verzoekers hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake de niet-in behandeling name van hun asielaanvragen door de minister van Asiel en Migratie, omdat volgens de minister Cyprus verantwoordelijk was op grond van de Dublinverordening. Tijdens het hoger beroep trok verzoekers dit beroep in nadat de minister de bestreden besluiten had ingetrokken en alsnog de asielaanvragen in behandeling had genomen.
De minister had het claimverzoek niet tijdig bij Cyprus ingediend; de loopbrief dateerde van 4 augustus 2022, terwijl het claimverzoek pas op 27 januari 2023 werd ingediend, wat niet voldoet aan de termijn van twee maanden zoals vereist in artikel 23, tweede lid, van de Dublinverordening. Hierdoor was de intrekking van de besluiten niet vanwege het verstrijken van de overdrachtstermijn, maar vanwege de niet-tijdige indiening.
De Raad van State oordeelt dat de minister verzoekers daardoor tegemoet is gekomen en wijst het verzoek tot proceskostenvergoeding toe. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van € 2.721,00 aan proceskosten, toe te rekenen aan door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: De minister van Asiel en Migratie wordt veroordeeld tot vergoeding van € 2.721,00 aan proceskosten na intrekking van het hoger beroep wegens niet-tijdige indiening van het claimverzoek.