ECLI:NL:RVS:2025:2947
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- N. Verheij
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongegrond verklaring hoger beroep inzake schadevergoeding bouwkundige schade door mijnbouwactiviteiten
Appellant, eigenaar van een woonboerderij met schuren uit 1880 te Garnwerd, vorderde vergoeding van bouwkundige schade die hij toeschreef aan mijnbouwactiviteiten. Het Instituut Mijnbouwschade Groningen kende aanvankelijk een schadevergoeding toe, maar weigerde vergoeding voor scheuren en verzakkingen aan de schuren. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stond centraal of het Instituut het wettelijke bewijsvermoeden dat schade door mijnbouwactiviteiten is veroorzaakt, met succes heeft weerlegd. Het bewijsvermoeden volgens artikel 6:177a BW geldt voor fysieke schade aan gebouwen door bodembeweging door mijnbouw.
De Raad van State oordeelt dat het Instituut voldoende heeft aangetoond dat de schades uitsluitend zijn veroorzaakt door autonome factoren, zoals verzakkingen door gewichtstoename van de kapconstructie, wijzigingen in dakbedekking, en onvoldoende onderhoud (niet opvijzelen en onderkauwen van gebinten). De deskundigenrapporten bevestigen dat de schade niet door bodembeweging door mijnbouw is veroorzaakt.
De tegenadviezen van appellant zijn onvoldoende om het oordeel van het Instituut te weerleggen. De Raad van State bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.