ECLI:NL:RVS:2025:296
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 13 januari 2023 de aanvragen van vier vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen maakten zij bezwaar, dat op 29 januari 2024 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de rechtbank Den Haag het beroep van de vreemdelingen eveneens ongegrond bij uitspraak van 4 november 2024.
De vreemdelingen stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Echter richtte het hoger beroep zich niet tegen de inhoudelijke gronden van de uitspraak van de rechtbank, noch werd toegelicht waarom deze uitspraak onjuist zou zijn. Hierdoor kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven.
Op grond van artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. De minister werd niet verplicht proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door lid van de enkelvoudige kamer H.G. Sevenster op 29 januari 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan inhoudelijke motivering.