ECLI:NL:RVS:2025:299

Raad van State

Datum uitspraak
29 januari 2025
Publicatiedatum
29 januari 2025
Zaaknummer
202407646/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Opvangrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen onrechtmatige grensdetentie afgewezen door Raad van State

Bij besluit van 20 november 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie aan een vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De vreemdeling stelde beroep in tegen deze maatregel bij de rechtbank Den Haag, die op 17 december 2024 het beroep gegrond verklaarde en de tenuitvoerlegging van de maatregel wijzigde, tevens werd een schadevergoeding toegekend.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de zitting op 9 januari 2025 verschenen beide partijen en werd een medewerker van het Justitieel Complex Schiphol gehoord. De Afdeling behandelde deze zaak gelijktijdig met twee andere vergelijkbare zaken.

De Afdeling oordeelt dat het JCS ten tijde van de uitspraak van de rechtbank wel degelijk een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Hierdoor is de tenuitvoerlegging van de grensdetentie niet onrechtmatig. De grief van de minister slaagt, het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het beroep van de vreemdeling ongegrond en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.

Uitspraak

202407646/1/V3.
Datum uitspraak: 29 januari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 december 2024 in zaak nr. NL24.47651 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 20 november 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 17 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de wijziging van de tenuitvoerlegging van de maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Timmer, advocaat in
Den Haag, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 januari 2025, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. D. Kuiper, en de vreemdeling, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, zijn verschenen. Ook is op de zitting [persoon], werkzaam bij het Justitieel Complex Schiphol (hierna: het JCS), gehoord. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met zaken nrs. 202407479/1/V3 en 202407673/1/V3.
Overwegingen
1.       De minister komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het JCS onder de omstandigheden ten tijde van haar uitspraak geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie meer is in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie daarom onrechtmatig is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258.
1.1.    De grief slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 december 2024 in zaak nr. NL24.47651;
III.      verklaart het beroep ongegrond;
IV.     wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2025
347-1020