ECLI:NL:RVS:2025:3018
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering vernietigend vonnis verblijfsvergunning
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid trok op 21 juli 2022 de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van betrokkene in en wees zijn aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen of een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd af. Betrokkene maakte bezwaar, dat op 21 juli 2023 ongegrond werd verklaard door de staatssecretaris. Vervolgens verklaarde de rechtbank Den Haag op 21 mei 2025 het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit moest nemen.
De minister stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening zodat zij de uitspraak van de rechtbank niet hoefde uit te voeren zolang het hoger beroep loopt. De voorzieningenrechter oordeelde dat de beoordeling van de grieven nader onderzoek vergt en dat de procedure zich niet goed leent voor een inhoudelijke beoordeling. Gezien de belangen van beide partijen werd de voorlopige voorziening toegekend.
De voorzieningenrechter bepaalde dat de minister geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het hoger beroep heeft beslist. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan op 3 juli 2025 door voorzieningenrechter M.J.M. Ristra-Peeters.
Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.