ECLI:NL:RVS:2025:3022
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing opheffing inreisverbod en niet-behandeling verblijfsvergunning
Appellant heeft bij besluit van 20 april 2023 verzocht om opheffing van het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod en om een verblijfsvergunning op grond van het Terugtrekkingsakkoord tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft dit verzoek afgewezen en de aanvraag voor de verblijfsvergunning niet in behandeling genomen.
Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die bij uitspraak van 8 mei 2024 het beroep ongegrond heeft verklaard. Vervolgens heeft appellant hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep beoordeeld en geoordeeld dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. Het hoger beroep bevatte geen nieuwe vragen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en is de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.